Datum: november 2025
Zaaknummer: ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (Gerechtshof Amsterdam, 11 september 2025)
1. Achtergrond
De zaak betreft een Nederlandse onderneming die deel uitmaakt van een wereldwijd tabaksconcern en bestrijkt de jaren 2008 tot en met 2016. De Nederlandse Belastingdienst heeft het verrekenprijsbeleid van de onderneming voor verschillende grensoverschrijdende transacties binnen de groep aangevochten. Deze omvatten vergoedingen betaald voor factoringdiensten geleverd door een Belgische groepsentiteit, garantievergoedingen betaald op obligaties uitgegeven door de Nederlandse entiteit en gegarandeerd door een andere groepsentiteit, en de beëindiging en verplaatsing van licentie- en commerciële rechten van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (hierna de ‘Exit’ genoemd). De resulterende belastingcorrecties en boetes waren aanzienlijk en bedroegen in totaal meer dan een miljard euro.
2. Door de onderneming toegepaste transferpricingsmethoden
1. Factoringdiensten – Het Nederlandse bedrijf betaalde een omzetgerelateerde vergoeding aan de Belgische groepsentiteit. De vergoeding bestond uit een component voor het overnemen van het risico van wanbetaling op handelsvorderingen en een administratieve vergoeding voor het beheer van deze vorderingen.
2. Groepsgaranties – Bij het uitgeven van obligaties betaalde de Nederlandse entiteit een garantieprovisie aan een andere groepsmaatschappij die een formele garantie verstrekte. Het bedrijf bepaalde de vergoeding door het verschil in rente te berekenen tussen een obligatie met groepsgarantie en een hypothetische zelfstandige obligatie zonder dergelijke ondersteuning.
3. Overdracht van rechten (Exit) – De Nederlandse entiteit beëindigde bepaalde licentie- en distributieactiviteiten en droeg deze functies en gerelateerde rechten over aan een Britse groepsmaatschappij. Het Nederlandse bedrijf nam geen vergoeding op voor de waarde van de overgedragen rechten en het zakelijke potentieel.
3. Waarom de Belastingdienst het oneens was
De Belastingdienst stelde dat het transferpricingbeleid van het bedrijf geen arm’s-length gedrag weerspiegelde — met andere woorden, het kwam niet overeen met wat onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden zouden overeenkomen.
Factoring: Een omzetgerelateerde vergoeding was niet realistisch. Onafhankelijke factoringmaatschappijen zouden een vergoeding rekenen op basis van het daadwerkelijke risico (de omvang van de vorderingen) en de werkelijke administratieve kosten, niet een vast percentage van de omzet.
Garantieprovisies: Het bedrijf hield geen rekening met impliciete steun vanuit de sterke financiële positie van de groep. Een kredietverstrekker zou de Nederlandse entiteit al als kredietwaardiger beschouwen vanwege het groepslidmaatschap. Het betalen van een extra garantieprovisie overschatte daarom de financieringskosten.
Exit naar het VK: Door waardevolle rechten en activiteiten naar het VK over te dragen zonder vergoeding, verschafte het bedrijf effectief zakelijke waarde in het buitenland zonder betaling. De Belastingdienst beschouwde dit als een niet-arm’s-length transactie en legde een exitheffing op in Nederland.
4. Beslissing van het Gerechtshof
Het Amsterdamse Gerechtshof gaf grotendeels gelijk aan de Belastingdienst, maar maakte onderscheid tussen de verschillende kwesties.
Factoring: Het Hof oordeelde dat het gebruik van omzet als basis voor de prijsstelling ongepast was. De kredietrisicocomponent moet betrekking hebben op de werkelijke waarde van de vorderingen, terwijl de administratieve vergoeding de werkelijke operationele kosten plus een bescheiden opslag moet weerspiegelen. Omdat het bedrijf had moeten weten dat de gehanteerde methode niet marktconform was, handhaafde het Hof de belastingboete voor deze kwestie.
Garantieprovisies: Het Hof concludeerde dat het groepsverband van de Nederlandse entiteit al een niveau van financiële steun bood, bekend als impliciete steun. Aangezien kredietverstrekkers zouden aannemen dat de moedermaatschappij achter haar dochtermaatschappij staat, weerspiegelde een aparte garantieprovisie geen arm’s-length uitkomst. Het Hof wees de aftrek van de garantieprovisies af maar schrapte de boete, aangezien het ging om complexe interpretatie.
Overdracht van rechten (Exit): Het Hof bevestigde dat het beëindigen van de Nederlandse licenties en het overdragen naar het VK zonder vergoeding niet iets is dat onafhankelijke partijen zouden doen. De Nederlandse entiteit had compensatie moeten ontvangen voor de waarde van de rechten en toekomstige winst. Het Hof handhaafde een belastingcorrectie van circa €1,3 miljard, maar schrapte de boete van €106 miljoen, omdat het bedrijf transparant was tijdens de besprekingen met de Belastingdienst.
Bewijslast: Het Hof bevestigde dat in gevallen waarin het transferpricingbeleid van een belastingplichtige duidelijk onjuist is, de bewijslast kan verschuiven naar de belastingplichtige. Dit betekent dat het bedrijf overtuigend moet aantonen dat de gerapporteerde cijfers correct zijn. Het Hof merkte expliciet op dat deze regel ook geldt voor transferpricinggeschillen.
5. Belangrijke lessen en implicaties
Deze uitspraak benadrukt enkele belangrijke principes voor multinationale ondernemingen met activiteiten in Nederland:
a. Impliciete steun is van belang – Wanneer een bedrijf deel uitmaakt van een financieel sterke groep, is de kredietwaardigheid vaak hoger dan die van een onafhankelijk bedrijf. Deze impliciete steun moet worden weerspiegeld in transferpricinganalyses voor financiering en garanties. In veel gevallen maakt dit een aparte garantieprovisie overbodig, tenzij een meetbaar, aanvullend voordeel kan worden aangetoond.
b. Vergoedingen voor financiële diensten moeten kostengebaseerd zijn – Omzetgerelateerde vergoedingen voor diensten zoals factoring of cashpoolbeheer vormen een hoog risico vanuit belastingperspectief. Bedrijven moeten ervoor zorgen dat vergoedingen gebaseerd zijn op werkelijke kosten en blootstelling aan risico, ondersteund door duidelijke benchmarking of interne gegevens.
c. Herstructureringen en verplaatsingen creëren belastbare waarde – Het overdragen van functies, rechten of activa tussen landen kan belastbare winst veroorzaken als waarde wordt gecreëerd of verplaatst. Bedrijven moeten de marktwaarde van de overgedragen items en de ontvangen vergoeding identificeren en documenteren.
d. Documentatie en transparantie zijn cruciaal – Transferpricingdossiers moeten duidelijk uitleggen hoe methoden zijn gekozen, hoe kredietratings zijn bepaald en hoe impliciete steun is meegenomen. Open dialoog met de Belastingdienst kan het risico op boetes aanzienlijk verminderen, zelfs wanneer correcties plaatsvinden.
6. Aanbevolen acties voor bedrijven
1) Beoordeel bestaande garantie- en factoringovereenkomsten om te waarborgen dat deze weerspiegelen hoe onafhankelijke bedrijven vergelijkbare diensten zouden prijsstellen.
2)
3)
4) Versterk governance en administratie om omkeringen van de bewijslast bij toekomstige controles te voorkomen.
5) Ga proactief in gesprek met de Belastingdienst wanneer complexe interpretaties zich voordoen, om het risico op boetes te verminderen.
Samengevat
De uitspraak van het Hof geeft een duidelijke boodschap: transferpricingarrangementen moeten weerspiegelen hoe onafhankelijke partijen zich in reële markten gedragen. Groepscomfort rechtvaardigt geen garantieprovisies, omzet kan een kostengebaseerde aanpak niet vervangen, en het verplaatsen van waardevolle rechten zonder compensatie leidt tot belastingheffing. Bedrijven dienen hun financierings-, dienstverlenings- en herstructureringsbeleid te herzien om afstemming te waarborgen met zowel de OECD Transfer Pricing Guidelines als deze recente Nederlandse jurisprudentie.
In close cooperation with local partners, Fisconti can assist you with this impact analysis and further implementation. For more information, please contact Guido van Asperen (+31 70 219 5093 or guido.van.asperen@fisconti.nl).