Implementatie wijzigingen Moeder-Dochterrichtlijn 2015 vorig bericht

Implementatie wijzigingen Moeder-Dochterrichtlijn 2015

De regering heeft een apart wetsvoorstel ingediend met het doel om de vorig jaar afgesproken wijzigingen in de Moeder-Dochterrichtlijn te verwerken in de Nederlandse belastingwet. De Moeder-Dochterrichtlijn is ooit begonnen als waarborg dat in Europa de dubbele belasting op de winst van een dochteronderneming wordt voorkomen door de verplichting dat in het land van de moedermaatschappij een vrijstelling wordt gegeven of de al door de dochter betaalde belasting wordt verrekend.

Onder invloed van het BEPS-project van de OESO is niet alleen de voorkoming van dubbele belasting belangrijk maar ook het voorkomen van dubbele belastingvrijstelling. Om die reden wordt de Nederlandse deelnemingsvrijstelling gewijzigd.

De wijziging heeft betrekking op situaties waarin een buitenlandse dochtervennootschap een betaling doet aan de Nederlandse moedermaatschappij en waarbij (1) de dochter in het land waarin zij gevestigd is het betaalde bedrag kan aftrekken voor de buitenlandse winstbelasting terwijl (2) deze betaling voor de Nederlandse moedermaatschappij wordt gezien als een voordeel waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het land van de dochter de betaling als een rentelast kwalificeert terwijl de betaling op grond van onze belastingregels in Nederland als deelnemingsvoordeel wordt gezien (een hybride lening met zowel eigenschappen van eigen vermogen als van een normale lening).

De wijziging is overigens niet beperkt tot alleen hybride leningen, maar heeft gevolgen voor alle situaties waarin er geen Nederlandse belastingheffing tegenover de aftrek zou komen te staan. Ook een cumulatief preferent dividend dat aftrekbaar is in het land van de dochtervennootschap wordt getroffen door de nieuwe regels.

De wijziging betekent dat de deelnemingsvrijstelling – ondanks de Nederlandse kwalificatie als deelnemingsvoordeel – toch niet van toepassing zal zijn voor zover de betaling bij het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ aftrekbaar is voor de winstbelasting.

Het voorstel gaat overigens verder dan de Moeder-Dochterrichtlijn omdat de nieuwe regeling niet alleen van toepassing is als de dochtervennootschap in de EU (of de EER) is gevestigd. De nieuwe regeling wordt wereldwijd toegepast. Daarmee volgt Nederland het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Frankrijk.

Neem voor meer informatie contact op met Jan van Tilburg (jan.van.tilburg@fisconti.nl of 070 – 3656617).

terug naar overzicht