De deelnemingsvrijstelling vorig bericht

De deelnemingsvrijstelling

De Nederlandse deelnemingsvrijstelling kent een lange traditie in de Wet op de vennootschapsbelasting. De basis van de vrijstelling zoals we die nu kennen is dezelfde als de vrijstelling die al in 1969 werd geïntroduceerd. De spelregels werden vanzelfsprekend wel regelmatig gewijzigd, bijvoorbeeld om nieuwe EU-wetgeving aan te nemen en ook om lacunes op te lossen.

Per 1 januari 2010 is de zogenoemde ‘oogmerktest‘ opnieuw ingevoerd. Op grond van deze test kan een moedermaatschappij kwalificeren voor de deelnemingsvrijstelling indien deze het belang van 5% of meer in de dochteronderneming houdt in lijn met de eigen bedrijfsactiviteiten (dus niet als een beleggingsportefeuille). Dit is een aanzienlijke verbetering en vereenvoudiging ten opzichte van de "vermogenstoets 'die in 2007 geïntroduceerd.

De Nederlandse belastingdienst was echter terughoudend om de nieuwe regels van de deelnemingsvrijstelling toe te passen op alle dividenden die werden uitgekeerd in 2010 en latere jaren. De belastingdienst nam het standpunt in dat de fiscale behandeling van dividenden moet worden bepaald op basis van de wetgeving die gold in het jaar waarin de nu uitgekeerde winst oorspronkelijk is behaald.

Als het dividend dat bijvoorbeeld 2013 wordt uitgekeerd afkomstig van bedrijfswinsten uit de periode 2007 tot en met 2009, dan moeten de regels van de deelnemingsvrijstelling uit die oude jaren worden toegepast. De dochteronderneming moet dan in die betreffende  jaren hebben voldaan aan de zogenoemde ‘activatoets’ (d.w.z. niet meer dan 50% passieve activa) of aan de 'effectieve-belastingdruk-test' (effectief belastingtarief van ten minste 10% gemeten naar Nederlandse maatstaven). Vooral bij het aanvragen van tax ruling over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling bleek dit een  behoorlijk complicerende factor te zijn.

De uitspraak van de Hoge Raad in de zaak 11/04538 van 14 juni 2013 weerlegt deze stellingname van de Belastingdienst. De Hoge Raad bevestigt dat een fiscale wetswijziging onverkort geldt vanaf het moment dat deze wijziging van kracht wordt. Als de wetgever iets anders gewild zou hebben, dan zouden hiervoor expliciet overgangsbepalingen moeten worden opgenomen. Het maken van een opmerking dat bij het uitkeren van oude winsten de compartimentering moet plaatsvinden is onvoldoende om iets anders te concluderen dan wat de wettekst beschrijft.

Deze uitspraak van de Hoge Raad is goed nieuws. Het betekent dat de eenvoudigere en voordeliger regels van de deelnemingsvrijstelling die gelden vanaf 1 januari 2010 van toepassing zijn  op alle dividenden die door de moedermaatschappij worden ontvangen op of na die datum. Het is dus niet van belang uit welke jaren de uitgekeerde winst afkomstig zijn.

We zijn blij dat de Hoge Raad het standpunt dat wij voor onze klanten hebben ingenomen nu heeft bevestigd: een dividend ontvangen in een bepaald belastingjaar moet uitsluitend worden beoordeeld op basis van de fiscale regels in dat fiscale jaar van toepassing.

terug naar overzicht